Geschiedenis van Zuid-Beveland
In de 3e en 4e eeuw werd een groot deel van Zeeland overstroomd en het gebied bleef zo goed als onbewoond. Vanaf de 11e eeuw werd Zeeland stukje bij beetje ingepolderd, waardoor steeds minder land overstroomd werd. De vruchtbare Zeeuwse klei was geschikt voor landbouw, en langzaam maar zeker neemt de welvaart in het gebied toe. Vanaf de dertiende eeuw verschijnen dorpen en steden. De bevolking leeft vooral van landbouw en visserij. Als centrum van Zuid-Beveland ontstaat de stad Goes. Ook de stad Reimerswaal heeft een belangrijke rol. Als gevolg van de Sint-Felixvloed in 1530 verdwijnt een groot deel van het eiland in de golven. Dit leidt tot het Verdronken Land van Zuid-Beveland waar vele dorpen en de stad Reimerswaal in verloren gaan. Ook door de Allerheiligenvloed van 1570 werd het eiland getroffen. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog was het gebied vaak bij oorlogshandelingen betrokken. In de achttiende en negentiende eeuw liep de welvaart terug. De economie stagneerde, met uitzondering van de landbouw.
In 1868 kreeg Zuid-Beveland een spoorwegverbinding met Roosendaal (de Zeeuwse Lijn). Het Kanaal door Zuid-Beveland werd aangelegd en geopend in 1866. In 1953 werd Zeeland getroffen door de Watersnoodramp. Een groot deel van Zuid-Beveland (met name Goes) kwam er relatief goed vanaf, vanwege de hoge ligging. De oostkant van het eiland stond echter lange tijd onder water. Door opeenvolgende periodes van landwinning en overstromingen kenmerkt het grootste deel van Zuid-Beveland zich door dijken rond polders. Stedelijk gebied is beperkt en concentreert zich rond Zuid-Bevelands grootste kern Goes en in mindere mate Kapelle. Het grootste deel van Zuid-Beveland bestaat echter uit agrarisch grondgebruik (landbouw en fruitteelt).
