Wandelen langs de grens

Op het randje van de Belgisch-Nederlandse grens kun je mooi wandelen. Er ligt een uitgebreid wandelroutenetwerk in Zeeuws-Vlaanderen en verdwalen kun je er bijna niet. Toch zou het ons tijdens een wandeling bij Philippine bijna zijn gelukt.

“Kijk je uit met parkeren in Philippine. Het kan er echt druk zijn op zondagen.” Ik weet niet meer wie dat advies had gegeven, maar we lachten hem of haar hartelijk uit. Geen kip te zien op zondagochtend in Philippine. We lopen door uitgestorven straten op zoek naar een paaltje van het wandelnetwerk zodat we een rondje kunnen gaan lopen van net geen 11 kilometer. Het is al snel gevonden en dan is het genieten van een gave route die veel onverharde weggetjes en wandelpaden langs kanalen en waterpartijen meepakt.

Het mooie aan wandelen bij Philippine is dat je de grens veel tegenkomt. Ook in verhalen. Zo lopen we langs Isabellahaven. Het gehucht ligt er lieflijk bij, maar herbergt een heftige geschiedenis. Er staan grote borden met info over de dodendraad, de elektrische draad die tijdens WOI moest voorkomen dat mensen uit België naar Nederland vluchtten.

Iets voorbij Isabellahaven ligt een prachtige (gietijzeren?) brug over de Leopoldsvaart. Aan de niet zo verre overkant ligt België. Precies wanneer we de brug over willen steken komt er een gigantisch bakbeest van een auto aangereden die ons voor laat gaan. Het ding is zo groot dat we niet tegelijk met zijn allen op de kleine, oude brug passen.

 

We wachten even om naar de bestuurder te zwaaien als bedankje. Het raampje gaat omlaag en een Vlaamse meneer van dik in de tachtig begint ons het hemd van het lijf te vragen. Over wat we hier doen en wat we hier allemaal komen bekijken. We raken aan de praat; eerst over zijn werk als boer (de gerstoogst gaat goed) en later over de dodendraad. Hij vertelt honderduit over WO I en wat je daar nog van terug kunt zien in het landschap. Zijn voorliefde voor binnensmonds mompelen en een spreeksnelheid waar Matthijs van Nieuwkerk jaloers op zou zijn, maken zijn prachtige Vlaamse accent wel wat moeilijk te volgen, maar dat mag de pret niet drukken. Als we hem goed begrijpen staat hier ergens nog een replica van een oud wachthuisje. Dat lijkt ons mooi om nog even mee te pakken. “Dat is niet moeilijk, hoor. Het is hier vlakbij,” vertelt hij.

En dan volgt ongeveer dit (het kan zijn dat ik hier en daar een detail verkeerd onthouden heb: “Als je hier even verderop links gaat en dan twee straten verderop rechts, of nee… toch niet, want je hebt eerst dat huisje bij de weg en dan moet je natuurlijk een beetje schuin oversteken. Evengoed, als je dus niet de eerste links neemt, maar een stukje verderop na dat huis, maar dan niet het eerste huis, maar dat tweede huis uit dat rijtje, je ziet het vanzelf, maar dan wel aan de overkant van de weg, hè. Want daar had je vroeger een winkel met een parking. En dan neem je daar het derde straatje, of nee, de tweede en dan kun je zo een kilometer of wat doorlopen en dan…” En zo gaat het nog even door.

 

Het is zo’n lieve kerel. We krijgen het niet over ons hart om te zeggen dat we er geen bal van snappen. Wanneer hij afsluit met: “Dus zo moet je dan lopen,” is dat ons teken om te vetrekken. We hopen zo ontzetten dat we de goede kant op lopen. Anders krijgen we nog een keer zo’n vriendelijke uitleg. Dat kost uren van je wandeling. Zodra we uit het zicht zijn, kijken we elkaar aan. “Heb jij er ook maar iets van begrepen?” We vervolgen dan maar gewoon de route zoals we van tevoren hadden gepland. Het wachthuisje komen we natuurlijk niet meer tegen.

Wanneer we aan het eind van onze wandeling terug zijn in Philippine, barst het dorp uit zijn voegen. Het is lunchtijd en heel Vlaanderen is uitgelopen om hier mosselen te komen eten. Het dorp was dankzij het wandelnetwerk heel makkelijk te vinden. Die routebordjes zeggen ook nooit “O nee, toch niet,” tegen je.